Zigeunermeisje

De zondagse markt in Rosans heeft niet veel om het lijf: welgeteld vier kramen vullen het
pleintje voor de saracijnse  toren. Naast harembroeken en feloranje t-shirts prijst een gedistingeerde dame de geneeskrachtige werking van haar edelstenen aan. ‘Melons – trois a cinque euro’, roept een oude man me even verderop toe. Maar wat moet ik alleen met drie meloenen? Bij de worst- en kaasstand treuzel ik, maar de vele vliegen die neerstrijken op de tome de montagne houden me af van een eventuele aankoop.
Aan de rand van het pleintje ligt het café du Nord. Ik zoek een plekje op het overvolle terras en vind uiteindelijk een leeg tafeltje onder het grijsgroene bladerdak van de platanen. Er klinkt muziek, een niet erg zuivere vrouwenstem zingt een volksliedje, vergezeld door gitaarmuziek. Als ik me uitstrek vang ik een glimp op van  de knappe gitarist, die zich vóór het tot gîte verbouwde kasteeltje heeft geïnstalleerd met de nodige versterkers.
Ik leun achterover en geniet van mijn café au lait. Die ochtend was ik al vroeg vertrokken. Rosans, met zijn middeleeuwse huizen en de markt, leek me een mooie bestemming voor deze warme vakantiedag. De rit door de uitlopers van de Alpen was de moeite waard geweest. Met open raam had ik de geur van salie opgesnoven, vermengd met die van de bloeiende lavendel. De dalen aan de overkant van de weg kleurden lila en paars, terwijl de zon snel aan kracht won en de laatste ochtendkoelte had verdreven.
Langs de weg passeerde ik een oorlogsmonument. Niets bijzonders, een eenvoudige stenen pilaar, afgeschermd door een donkere schakelketting, zoals er zoveel gedenktekens staan in Frankrijk. Terwijl ik voorbij reed, zag ik de man. Met een witte pet in zijn hand, het hoofd gebogen, staarde hij stilletjes naar de namen. Ik wilde afremmen, mijn hoofd omdraaien, maar de rode Peugeot cabrio achter me gaf me geen kans. Ik vervolgde mijn rit, maar het beeld had me niet losgelaten.
‘Excusez – cette place, c’est libre ?’
Ik kijk op en realiseer me onmiddellijk dat toeval niet bestaat. Naast mijn tafeltje staat de onbekende Fransman uit mijn gedachten. Ik gebaar uitnodigend naar de vrije stoel. De man schuift aan. De zon heeft diepe rimpels getrokken in zijn bruine huid. Rond de donkere ogen en de mond zorgen ze voor een eeuwige glimlach. Met zijn smetteloze, crèmekleurige pantalon en de donkerblauwe polo lijkt hij een gewone toerist.
Ik aarzel, maar mijn nieuwsgierigheid wint het. ‘Kan het zijn dat ik u eerder vanmorgen gezien heb, op de weg tussen Serres en Rosans?’
De man kijkt verrast op. ‘Bij het oorlogsmonument, bedoelt u?’ De stilte die volgt wordt doorsneden door een schelle uithaal van de zangeres’. Mijn tafelgenoot kijkt verstoord om, dan draait hij zich terug. ‘Ik was hier voor mijn vader. Mijn moeder heeft me op haar sterfbed verteld dat de man die me heeft opgevoed niet mijn echte vader was. Die is hier door de Duitsers is gefusilleerd in 1943, omdat hij een groep zigeuners hielp vluchten.’
Zijn openhartigheid schokt me, ik weet even niet wat te zeggen. ‘Wat afschuwelijk.’
De man haalt zijn schouders op. Met een hand vol leverkleurige pigmentvlekken pakt hij zijn kopje op. ‘Het verbaast me vooral dat ik er zo weinig bij voel. Ik heb hem nooit gekend, de Tweede Wereldoorlog is al zo lang geleden. De dood van mijn stiefvader heeft me destijds veel meer gedaan.’
We zwijgen en drinken onze koffie. Aan de overkant gaat de kerk uit, de pastoor staat in de deuropening en schudt de kerkgangers de hand. Ze verspreiden zich door de straatjes, een enkeling steekt direct over naar het café. De gitaarklanken sterven weg, de zangeres beëindigt haar lied. Een jong meisje, gekleed in een armoedige, vale jurk, baant zich een weg tussen de tafeltjes op het terras. In een rieten mandje haalt ze geld op voor het optreden dat net is afgelopen. Trouwhartig kijkt ze me aan, grote donkere ogen in een smoezelig gezicht, omringd door zwarte krullen. Nog voor ik mijn portemonnee kan pakken, bijt  mijn tafelgenoot haar op bitse toon een paar woorden toe. Ze deinst ze terug en druipt af.  Dan pas dringen zijn woorden tot me door: ‘Smerige gitane