Avondmaal

Roti met kouseband. Hoe kómt die gast erbij! Alsof ik dat buitenlandse voer naar binnen krijgt. Als het nou boerenkool was geweest… of zuurkool, met een flink stuk spek. Maar varkensvlees zal wel niet mogen van die lui. Ik kieper het bakje leeg in de vuilnisbak. Die zooi gaat vast nog stinken ook.  Het liefst had ik het meteen mee teruggegeven aan Akshay. Ook al zo’n idiote naam. Ik heb het hem een paar keer laten herhalen, en de naam opgeschreven op een briefje naast de telefoon. Dat eten teruggeven heb ik toch maar niet gedaan, ik kan die knul niet voor het hoofd stoten. Voor je het weet zit ik volgende week zonder hulp. Zolang Ida ziek is, komt deze jongen, zeiden ze van de thuiszorg. Een hele aardige man, zeiden ze er nog bij. Hij was er al vroeg, vanmorgen. Bijna een heel uur té vroeg, ik was nog maar net aangekleed. Wel vreemd dat iemand de eerste keer al eten voor me meeneemt. Wat zouden ze hem verteld hebben, denken ze nou echt dat een alleenstaande man niet voor zichzelf kan zorgen?  Ik moet het ermee doen – als Akshay blijft komen, tenminste. Ze zeggen zoveel, bij de thuiszorg. En hoe vaak gaat het niet mis? Voor Ida was het om de haverklap raak. Stond er weer iemand een halve dag te laat voor mijn deur, of kwamen ze helemaal niet opdagen. Met Ida wist ik tenminste waar ik aan toe was. Nog een mazzel dat ze hadden laten weten dat er een vervanger kwam. Anders had ik de deur niet eens open gedaan voor deze zwartjoekel – je moet voorzichtig zijn, tegenwoordig.
Maar toegegeven, deze Surinamer weet hoe hij moet schoonmaken. Niet zo goed als Ida natuurlijk, maar hij heeft hard gewerkt en zich zelfs geen tijd gegund voor koffie. Ik had het water al opgeschonken bij de oploskoffie, toen hij het zei. Aarzelend, beleefd – onderdanig bijna. ‘Dank u, meneer. Maar ik moet door naar mijn volgende adres. Ik wil niet te laat komen.’ Met een mompelend ‘tot volgende week’ nam hij afscheid.
Die tweede kop koffie heb ik zelf maar opgedronken. Nu schuurt het in mijn maag. Ik moet iets eten. In de koelkast staat nog een pak yoghurt. Lekker! Melkproducten zijn goed voor de maag. Ik zoek mijn krukje, die Aks-dinges moet hem weggezet hebben. Op mijn tenen zoek ik in het keukenkastje naar de honing. De pot is zwaarder dan ik verwacht en valt uit mijn handen op het aanrecht. Godverdomme. Met dat krukje had ik er gewoon bij gekund. Grote brokken versuikerde honing liggen tussen de blauwe scherven. Aan die honing had ik toch niets meer gehad. Al heeft Ida  ooit uitgelegd dat je dat in een magnetron wel weer goed kunt krijgen. Ik veeg de scherven bij elkaar en maak het aanrecht zo goed en zo kwaad ik kan schoon. De honing blijft plakken. Heeft die jongen volgende week wat te doen. De scherven en de proppen keukenpapier gooi ik boven op de etensresten. Afval moet je scheiden. Ik hoor het Ida weer zeggen. Onzin. Ik doe er niet aan mee, het zal mijn tijd wel duren.
Wat zou er met Ida aan de hand zijn? Die jongen van vanmorgen wist het niet, hij kende haar niet. Hoe heette hij ook alweer? Een vreemde naam, net wist ik hem nog. Iets met Aks… het doet me aan een bijl denken. Ik moet het briefje hier ergens hebben. Akshay – dat was het. Vreemd dat hij Ida niet kent.  Doen ze daar ooit iets gezelligs met elkaar, bij die thuiszorg? Vroeger kende ik al mijn collega’s. Alle tweeëntwintig man, met wie ik in de drukkerij werkte. Soms haalden we hele nachten door, andere avonden gingen we met elkaar kaarten in de kroeg. Als er geen nijdige vrouwen op kwamen dagen, tenminste – dat gedoe had ik dan weer niet. Tot de zaken slechter gingen. De één na de ander werd ontslagen. Nog een geluk dat ik mijn pensioen gehaald heb. Inmiddels zijn ze bijna allemaal dood. Op Henk na, die slijt zijn dagen in zo’n verzorgingstehuis. Zo gek als het paard van christus is die geworden, hij weet niets meer. Eén keer ben ik er op bezoek geweest. Mij krijgen ze niet in zo’n huis – als je al niet in de war bent, word je daar wel knetter. Dat zal mij niet gebeuren. Ik blijf hier, tot ze me er tussen zes plankjes uit moeten dragen.
Ik schuifel naar de leunstoel bij het raam en ga zitten. Het regent, de druppels glijden in trieste slierten langs het raam naar beneden. Kan die jongen volgende week mooi mijn ramen lappen.  Zou het iets ernstigs zijn, met Ida? Als ze maar wel beter wordt – ik kan de thuiszorg bellen en vragen wat er met haar is. Als ze me haar adres geven, stuur ik een kaartje. Mijn hoofd knikt. Even wegdommelen, lekker.
Als ik wakker word, is de regen verdwenen en schijnt er een bleke zon tussen de gebouwen aan de overkant door. In de kamer hangt een penetrante lucht. Mijn maag rommelt, in de keuken trek ik de koelkast open. Leeg. Op een pak van die smerige yoghurt na dan. Daar komt die lucht in ieder geval níet vandaan. Als ik iets wil eten, zal ik naar de super beneden moeten. Die stank komt van de vuilnisbak. Kan ik die meteen weggooien.
Buiten staat een gure wind. Ik trek mijn kraag hoog op, gooi de vuilniszak in de container en loop de hoek van het gebouw om. De plas op de stoep zie ik te laat. Ook dat nog. Het water sijpelt door mijn schoenen heen, dringt door mijn sokken tussen mijn tenen. Ijskoud regenwater is het. Ik zou de gemeente moeten aanklagen. Als die het onderhoud goed uitvoert, kan dat regenwater gewoon weglopen en heb je geen last van plassen. Stug loop ik verder. De supermarkt is even verderop, ik moet nog één hoek om. Waarom hebben ze geen doorgang binnendoor gemaakt? Dat was een stuk handiger geweest – direct vanuit de hal van het appartementencomplex naar de supermarkt. Hoefde je al die bejaarden niet bloot te stellen aan die koude wind hier. Ik passeer de snackbar, loop nog een paar stappen door. Mijn voeten soppen in mijn schoenen. Wat doe ik nou moeilijk… abrupt draai ik me om. Al dat gedoe over gezond eten. De deurbel rinkelt als ik naar binnen stap. Het is leeg in de zaak. Vreemd, voor dit uur van de dag.
‘Wat bent u laat, meneer Kramer.’ Het meisje achter de balie lacht me toe. Ze is niet onaardig, Een beetje nietszeggend.
‘Het is toch nog licht.’
‘Zomertijd,’ zegt ze. ‘Het moet vast nog wennen.’
Ik laat me zakken op de stoel naast de toonbank en zucht diep. Natuurlijk. Zomertijd. Daar had ik nog niet aan gedacht. ‘Ik was in slaap gevallen, zeg ik. ‘Beetje laat geworden, gisteravond.’
‘Het gebruikelijke menu dan maar?’
Ik knik.
Even later steekt het meisje me een plastic tasje toe. ‘Eet smakelijk dan maar.’
Zo snel mogelijk loop ik naar huis. Jongens, wat heb ik ineens een trek. Dat zal best smaken zo meteen, dat patatje kapsalon en die loempia.