Luchttijd

LUCHTTIJD

Door de hoge tralies schijnt een dunne zonnestraal. Carmen komt overeind en staart naar het Mariabeeldje aan de muur. Iedere dag praat ze tegen Maria, urenlang. In zichzelf, om de andere drie vrouwen met wie ze de cel deelt niet te storen. Die liggen vooral op bed, zwijgend, hun gezichten naar de muur gedraaid. Carmen bidt, en als ze niet bidt of slaapt, loopt ze. Tussen de bedden door, anderhalve stap naar de deur, anderhalve stap terug naar het raam. Het raam zit te hoog om naar buiten te kijken, wel hoort ze het gejoel van vrouwen op de binnenplaats. Ze is blij met het raam, ondanks de kille wind die er ’s winters doorheen jaagt. Het streepje blauwe lucht is meer dan de meeste andere cellen hebben.
 Zij gaan niet met de anderen naar buiten. Een keer per dag mogen zij gevieren een half uurtje luchten. Eén van haar celgenoten vertelde dat de directie had daar lang geleden toe had besloten, nadat de eerste vrouw die hier voor een soortgelijk vergrijp kwam, was gelyncht door de andere gevangenen.          
 Zij zijn de paria’s in deze afgesloten wereld. Losse eilanden in een afgezonderde archipel, altijd op hun hoede voor onverwachte uitbarstingen. De woede en frustratie van andere gevangen keerden zich altijd tegen hén. In deze cel zijn ze lotgenoten, geen bondgenoten. Carmen heeft nauwelijks contact met de vrouwen in haar cel. Een enkele keer, als het eten wordt gebracht, ziet ze de schichtige, schuldbewuste blik in hun ogen. Carmen weigert zich schuldig te voelen.
 In een hoek van de cel schiet een kakkerlak weg. Ze doet geen poging het dier te vangen of te vertrappen – ook ongedierte heeft recht op leven.
In de gang klinken zware stappen, ze blijven staan voor haar deur, sleutels rinkelen. Carmen veert op – het kan nog geen tijd zijn voor het luchten, de andere gevangenen zijn nog buiten.
De oudste cipier van het blok, Pablo, staat voor de deur. Hij wijst naar Carmen. ‘Opschieten, kreng,’ snauwt hij. ‘Je hebt bezoek.’
 Anderhalf jaar is ze hier nu. Een keer eerder kreeg ze bezoek, van haar zus, Consuela. De busreis van Chalatenango naar Ilopango is lang en duur. Ze prees zich gelukkig, voor de andere vrouwen in haar cel had niemand zich gemeld sinds ze hier zat.
Ook nu is het Consuela die op haar wacht in het kleine kantoortje. Carmen wil haar omhelzen, Pablo trekt ruw aan haar arm en wijst haar de stoel. ‘Geen fysiek contact.’
‘Hoe is het? Hoe gaat het met Luís?’ Carmen aarzelt even. ‘En Enrique? Heb je nieuws?’
 Consuela legt haar handen op de tafel. ‘Enrique heeft een echtscheiding aangevraagd. Hij claimt dat het kind niet van hem was.’
 Carmen kijkt haar zus onbewogen aan. ‘Dat was te verwachten. Wat gebeurt er nu met Luís?’
 ‘Luis is bij ons,’ stelt Consuela haar gerust. Ze laat een foto zien, een trotse vierjarige in een schooluniform. ‘Vorige week is hij voor het eerst naar school geweest. Hij vindt het leuk.’
 Carmen leunt achterover. Gelukkig. Haar zus zal goed voor haar kind zorgen. Ze neemt Consuela op, ze is voller in haar gezicht. ‘Je bent dik geworden.’
‘Ik ben zwanger,’ zegt Consuela plompverloren. ‘Vijf maanden nu.’
Vijf maanden. Dan is het grootste gevaar geweken.
 ‘Genoeg,’ zegt Pablo.

Consuela kan Carmen nog net een plastic tas met maandverband, chocola en een pak melk overhandigen voor Pablo haar het kantoortje uit duwt.
Buiten de deur trekt Pablo de tas uit haar handen. ‘Jullie verdienen dit niet,’ zegt hij. ‘Kindermoordenaars.’
Carmens cel is leeg, de andere vrouwen zijn naar buiten. Voor haar geen luchttijd vandaag. Carmen gaat op haar bed zitten en strijkt met haar hand over haar buik. Twee jaar geleden was zij een simpele boerin met een echtgenoot, een zoon en een tweede kind op komst. Wat was ze naïef geweest. De eerste pijnscheut die door haar heen trok bij het plukken van de koffiebonen negeerde ze, het bloed dat tussen haar benen doorliep kon ze niet verdoezelen. Consuela had haar naar de kliniek gebracht, waar ze niet anders konden dan constateren dat ze het kind had verloren. Ze had haar tranen verbeten, wilde naar huis, troost vinden in Enriques armen. De arts liet haar niet gaan, twee uur later stonden de agenten voor haar bed. Ook haar celgenoten zitten vast op dezelfde beschuldiging: moord op hun ongeboren kind.
Nu is Consuela zwanger. ‘Het gaat goed,’ prevelt Carmen in zichzelf. Het moet goed gaan. Haar zus verdient een beter leven. Ze kijkt naar het Mariabeeldje boven de deur, knielt op de betonnen vloer tussen de bedden en vouwt haar handen.

NOOT:

Dit verhaal is gebaseerd op een bericht van RTL Nieuws van 11 mei 2022, waarin melding wordt gemaakt van een vrouw in El Salvador die 30 jaar cel krijgt na een miskraam. Ze wordt beschuldigd van moord op haar ongeboren kind.