Behoedzaam steekt ze haar teen in het water. Het is warm, alsof ze een bad instapt. Ze zet een stap, haar voeten zoeken de bodem en ze zakt weg in de zachte ondergrond. Modder dwarrelt op in het toch al troebele water van de plas. Het water omhult haar als een tweede huid en haar lichaam wordt gewichtloos. Ze slaat haar armen uit en zwemt weg van de oever. Eerst aarzelend, al snel wordt haar schoolslag zelfverzekerder. Als ze verder komt, is het water kouder, al raakt ze soms ineens een warme stroming. Ze schrikt als koude schubben langs haar been strijken. Even verderop vlucht een meerkoet met drie piepende kuikens haastig van haar weg.
Dieper het open water in draait ze zich op haar rug. Ze laat zich dragen. Hoog boven haar steekt een grillige wolk wit af tegen de felblauwe lucht. Het lijkt een gezicht: een oude man met wilde krullen. Een lachende god die haar gadeslaat. Een toornige god wellicht, waarin zij allang niet meer gelooft en aan wie ze geen verantwoording hoeft af te leggen.
Het belooft weer een zinderende dag te worden, een nieuw hitterecord in een eindeloze reeks. De vakantietijd is achter de rug, de laatste scholen hebben half augustus hun deuren weer geopend maar deze zomer trekt zich niets aan van vaste vakanties.
Ze wentelt zich om en om in het water en lacht hardop. Wat heeft ze dit gemist. Ze voelt zich lichter dan ze in jaren is geweest.
Theo hield niet van water.
‘Ik heb vaste grond onder mijn voeten nodig,’ zei hij vaak. ‘Zo’n vliegtuig – maar vooral dat water, ik word al misselijk bij de gedachte.’
Varen, zwemmen, een dagje naar het strand of naar een zwembad… hij bleef er verre van. Ze begreep zijn trauma – als kind was hij door de reddingsbrigade uit zee gehaald. Zijn jongere broer had minder geluk gehad.
Voor hun jongens was het opblaasbadje in de achtertuin al gauw te klein. De wekelijkse zwemlessen waren als vanzelfsprekend haar taak, Theo liet zich zelfs bij het afzwemmen niet zien. Soms ging ze alleen met hen naar het zwembad in het bos. Eén keer waren ze naar het strandje aan de overkant van deze plas gefietst. Zonder erbij na te denken. Het kan wat later worden, schreef ze op het briefje dat ze op de keukentafel achterliet.
Bij thuiskomst vond ze Theo ijsberend door de woonkamer. Het zweet parelde op zijn voorhoofd, zijn ademhaling schuurde en hij keek haar wezenloos aan. Ze had Theo’s hand gepakt en hem op de bank naast zich getrokken.
‘Rustig in- en uitademen,’ hield ze hem voor. Ze telde met hem mee tot zijn paniek bezworen was. Ze zocht een therapeut, gespecialiseerd in traumaverwerking. Na vier bezoeken wilde Theo er niet meer heen. ‘Het helpt toch niet.’
Ze drong niet aan en meed het open water vanaf dat moment. Haar jongens begrepen het niet, maar spanden met haar samen. Theo’s angst wierp een dam tussen hen op. Dat hun oudste als 16-jarige op zeilkamp ging, hielden ze voor Theo verborgen. Diezelfde oudste, eenmaal uit huis, kocht een zeilboot. Zijn vader heeft dat nooit geweten.
De zon stijgt over de bomenrand en breekt het water in ontelbare schitterende facetten. Ze besluit een borstcrawl te proberen en zwemt naar het midden van de plas. Daar blijft ze opnieuw op haar rug drijven en luistert naar de geluiden achter de stilte. Een zachte bries ruist door de rietkraag, even verderop springt een zilverige vis plonzend op. In de verte klinkt het monotone gezoem van de provinciale weg. Ze is gewend geraakt aan de stilte, de laatste weken. Zoals ze gewend is geraakt aan de eenzaamheid.
Ze zal niet lang meer alleen zijn op deze vroege ochtend. Bij de jachthaven aan de rand van de plas ziet ze bedrijvigheid, dadelijk zullen de eerste zeilboten het water opvaren. Het strand aan de overkant zal bevolkt worden door ouders met jonge kinderen en pensionado’s die verkoeling zoeken op hun lange fietstocht. Ook het pad langs de kant waar zij het water is ingegaan zal drukker worden. Met wandelaars, met of zonder hun hond.
Voor de drukte toeslaat, wil ze hier weg zijn. Ze zwemt terug naar de oever, negeert de zwaarte in haar benen en hijst zich op. Ondanks de hitte rilt ze, haar huid richt zich op als de grasstengels langs de oever en ze slaat de handdoek om zich heen. Ze stroopt het natte badpak af alsof ze een oude huid van zich afwerpt en wrijft haar lichaam droog tot het rood ziet en gloeit. Snel gooit ze de zomerjurk over haar hoofd.
Ze vouwt de handdoek op en stopt hem in haar fietstas, dan draait ze aan de twee trouwringen om haar vinger. Het voelt nog steeds onwennig. Die van Theo had ze een paar maanden geleden al laten verkleinen zodat hij om zijn dun geworden ringvinger paste. Nu draagt zij hem.
Ze wil haar fiets van het slot halen als de gedachte aan dat lege huis haar plotseling tegenstaat. Ze zou kasten moeten leeghalen, gereedschap moeten ordenen, wassen moeten draaien. Niets van dat alles trekt haar. Het huis past me niet meer, bedenkt ze. Het is als een te grote jas die om mijn lijf slobbert.
Ze draait zich om en besluit een stuk langs de plas te lopen. Aan het eind van dit pad staat een tuincentrum met een restaurant, daar kan ze vast een kop koffie krijgen. Ze loopt over de smalle strook land, ingebed tussen de plas aan de ene kant en een rechte sloot aan de andere kant. Er ligt een groengrijze waas over het water van de plas, kleine golfjes kabbelen tegen de waterkant. Even verderop steken dunne takken uit het water omhoog, als armen die om hulp smeken.
In gedachten ziet ze Theo voor zich. Zijn mager geworden lichaam in het hoge bed dat ze in een hoek van de eetkamer hadden gezet. De grauwe kleur op zijn gezicht, dat die laatste weken steeds kouder aanvoelde.
Ze huivert, de herinnering laat haar niet los. Theo’s geest had het opgegeven, zijn lichaam wilde het leven nog niet loslaten. Ze liep af en aan met glazen vruchtensap, bette zijn voorhoofd, waste zijn lichaam. Niemand verdiende het zo te sterven. Toen het einde kwam, voelde ze vooral opluchting.
Ze zet nog een paar passen en blijft dan staan, knipperend met haar ogen. Er zijn al genoeg tranen vergoten. Als haar zicht weer helder is, kijkt ze verwonderd naar de woonboot in het water naast haar, half verscholen achter de struiken langs het pad. De ark is in slechte conditie, verf bladdert van de kozijnen, de ramen hangen scheef en zijn zo smerig dat ze er niet doorheen kan kijken. Op het dek groeit onkruid tussen de planken. Ze loopt iets terug naar het smoezelige papier voor het raam. Te koop.
Naast de boot glijdt een meerkoet door het water. Drie donzige kuikens volgen haar onverstoorbaar, als dauwdruppels op de huid van het water.
