Bloedmaand

Anne verschuift de tuinstoel over het kale beton tot hij voor het raam staat. Buiten is het grijs, voorbij een smalle groenstrook kijkt ze uit op de balkons van de flats aan de overkant. Op één ervan staan bierkratten hoog opgestapeld, op het balkon ernaast staat een bak met verdorde viooltjes. In de verte klinkt het carillon, ze herkent het deuntje. ‘Zie de maan schijnt door de bomen…’
Met een ruk pakt ze de stoel op en loopt naar een hoek van de kamer. Had ze maar gordijnen, dan kon ze de wereld buitensluiten.
Ze heeft geluk gehad met dit appartement, vindt Ingrid. Haar vriendin heeft het voor haar geregeld via een vage kennis bij de woningbouwvereniging. Anne was geschrokken van de huur. Ze zal meer uren moeten gaan werken.
Anne sluit haar ogen, maar opent ze direct weer om de beelden te verdringen die steeds opnieuw verschijnen. Beelden van dat andere huis, waar ze tot voor kort woonde. Een villa in een van de buitenwijken, twee onder een kap. Met een ruime tuin, ingericht door een van de duurste binnenhuisarchitecten.
Even heeft ze overwogen meubels mee te nemen, maar alles leek te groot. Nu heeft ze de Ikea geplunderd. Volgende week wordt er een vloer gelegd, twee dagen later komen de meubels.
Ingrid had aangeboden dat ze bij haar kon logeren. ‘Je moet nu niet te veel alleen zijn.’          Anne had geweigerd. De hele dag bij Ingrid, haar man en hun dochtertje… iedere avond naar het Sinterklaasjournaal kijken.. Ze wil geen anderen om zich heen. Met een logeerbed redt ze zich wel op haar nieuwe plek.
De telefoon in haar vestzak trilt. Ze hoeft niet te kijken om te weten dat hij het is. Met wéér de vraag wanneer ze langskomt om de papieren te tekenen. Alsof zij nog terug wil naar dat huis, waar hij nu met háár woont. Het cliché kon niet groter zijn: ze is verlaten voor een tien jaar jongere vrouw. En, alsof dat nog niet genoeg is, een vrouw die kinderen meebrengt. Kinderen, in háár huis, met de kostbare sculptuur in de hal, de roomwitte loungebank en de kristallen glazen waaruit ze ’s avonds een glas wijn dronken om de dag door te praten. Hans – die nooit iets van kinderen wilde weten, en nu vadert over drie jongens die niet eens van hem zijn.
Anne schrikt op als de voordeurbel gaat en hijst zich overeind.
 Ingrid stormt naar binnen, een vlaag natte novemberlucht waait met haar mee. ‘Ik heb eten bij me. Een broodje geitenkaas, daar hou je toch zo van?’
Anne slikt. Ze moet er niet aan denken, aan eten. Zonder iets te zeggen loopt ze naar de open keuken in de hoek van de woonkamer. De koffie in het filterapparaat is oud geworden, ze zet het apparaat uit en trekt de koelkast open. Met twee glazen appelsap loopt ze terug.
‘De muren zijn mooi geworden,’ zegt Ingrid. Ze klapt een tuinstoel uit en zet die naast Anne’s stoel. ‘Je zult zien, als het eenmaal is ingericht, zit je hier prima.’ Ze schuift een zak naar Anne. ‘Hij is nog warm.’
 Anne neemt een hap. Het brood is zacht, ze kauwt op de weke substantie en werkt de hap tenslotte weg met een slok appelsap. Haar keel lijkt verstopt. Als de voordeurbel opnieuw gaat, kijkt ze schichtig op.
‘Verwacht je iemand?’ Ingrid kijkt haar aan, komt overeind en loopt naar de voordeur.
Anne krimpt ineen als ze zijn stem hoort.
Hij heeft Ingrid opzij geduwd en stampt de kamer in. ‘Kun je niet eens het fatsoen hebben om op mijn berichten te reageren?’
Anne kijkt op. ‘Fatsoen? Wilde jij het over fatsoen hebben?’
Ingrid grist haar jas van de tuinstoel. ‘Ik laat jullie maar even alleen… sterkte, Anne. Ik bel je later nog.’ De laatste woorden klinken hol vanuit de hal.
Hans gaat in de stoel zitten en buigt zich voorover. ‘Anne – zo hoeft het toch niet te gaan?’ Hij legt zijn hand op haar onderarm. Een vage geur van vanille en patchouli hangt om hem heen. Háár geur.
Anne trekt haar arm weg, staat op en loopt naar het raam. In de vensterbank staat een schoenendoos met wat gereedschap. Ze kijkt naar de kruiskopschroevendraaier, pakt hem om en klemt hem vast. Hoe zou het zijn als ze zich nu omdraaide en het gereedschap diep in zijn borst stak? Het bloed zou uit zijn borstkas stromen, zijn ogen zouden langzaam breken… Het past bij de tijd van het jaar. ‘Bloedmaand’,  noemde haar grootmoeder deze maand. Vanwege de jaarlijkse slacht.
Met een zucht laat ze de schroevendraaier los. Buiten loopt een Sinterklaas langs het groen, een paar joelende kinderen in zijn kielzog. De mantel waait op, met één hand houdt hij zijn mijter vast.
Anne draait zich om. ‘Ik ben hier niet mee begonnen.’
‘Jij weet toch ook dat het niet meer werkte tussen ons,’ begint Hans. ‘Al jaren niet.’
Anne legt haar handen over haar oren. Ze wil het niet horen, de eeuwige excuses, de ruzies die ze de afgelopen weken steeds herhaalden.
Ergens klinkt de hoge lach van een meisje. Een kind. Had zíj maar een kind. Zelfs dat verlangen heeft ze voor hém opzij gezet. In een flits ziet ze een meisje, een peuter met zíjn groene ogen, met haar eigen donkere krullen. Een kind. Ze is nog geen veertig, het kan nog. Er zijn manieren – ze heeft er geen man voor nodig.
Hans is naar haar toegelopen en trekt haar handen weg. ‘Toe,’ zegt hij. ‘We moeten verder. Jij ook. Als het nodig is, help ik je financieel natuurlijk.’
Anne kijkt naar hem. Ingrid had het uitgezocht, hij zal partneralimentatie moeten betalen. Zes hele jaren – de helft van wat hun huwelijk heeft geduurd. De lijnen in zijn voorhoofd lijken dieper – kan iemand in een paar dagen tijd verouderen?      
‘Ik teken wel,’ zegt ze. ‘Maar niet nu. Ik heb tijd nodig, ik moet nog wennen aan het idee.’ Ze slaat haar ogen neer. Misschien, heel misschien bedenkt hij zich nog. Is dit alles niet meer dan een moeilijke fase, iets waar ze samen om zullen lachen, ooit.
Hans heeft zijn handen op haar schouders gelegd. Ze onderdrukt de neiging hem weg te duwen. Een kind. Ineens weet ze wat haar te doen staat. Als het lukt, heeft ze in ieder geval nog een stukje van hem. Als het niet lukt, zoekt ze een andere weg – zolang hij maar denkt dat het zíjn kind is. Een kind zal hen dichter bij elkaar brengen. Dan is er een onverbrekelijke band tussen hen. Ze zet een stap in zijn richting, drukt zich tegen hem aan en zoekt zijn lippen.
‘Het kan niet,’ mompelt hij. Hij weert haar niet af.
Haar handen dansen over zijn rug, lager nu, zijn lichaam reageert zoals ze gewend is. Ze pakt zijn hand en trekt hem mee naar de slaapkamer. Terwijl hij op haar ligt en koortsachtig haar kleding losmaakt, zakt Anne weg in de matras.
Buiten sterft het gelach van spelende kinderen langzaam weg.